es.neerlandes.org: Aprender neerlandés (holandés y flamenco)
Toda la información sobre aprender la lengua neerlandesa (holandés y flamenco) en la Península Ibérica (Portugal e España)

11. Het verkeer: el tránsito

Submitted by batigolix on Sat, 2006-11-18 15:34.

11. Het verkeer el tránsito

de achteruitkijkspiegel (-s) el retrovisor
het achterwiel (-en) la rueda trassera
de autobus (-sen) el autobús
de autosleutel (-s) la llave del coche
de bromfiets (-en) la moto
de band (-en) la rueda
de benzine la gasolina
de bumper (-s) el parachoques
het defect (-en) la averia
de diesel el diesel
de fiets (-en) la bicicleta
het fietspad (-en) el carril bici
de hoek (-en) la esquina
de koffer (-s) la maleta
het kruispunt (-en) el cruce
de lantaarnpaal (lataarnpalen) la farola
het licht (-en) la luz
het is groen está verde
het is rood está rojo
het is oranje está naranja
links izquierda
de moto (´s) la moto
de motor (-en) el motor
oversteken cruzar, atravesar
de parkeerplaats (-en) el aparcamiento
parkeren aparcar
rechtdoor adelante
rechts derecha
de rem (-men) la frena
de ruitenwisser (-s) el limpiaparabrisas
de snelheid la velocidad
het stoplicht (-en) el semaforo
het stuur (sturen) el volante
de taxi (‘s) el taxi
de trein (-en) el tren
het trottoir (-s) la acera
het verkeersbord (-en) la señal de tráfico
de versnelling (-en) la marcha
de versnellingsbak (-ken) la caja de cambios
het vliegtuig (-en) el avión
de voorruit (-en) el parabrisas
het voorwiel (-en) la rueda delantera
de wegwijzer (-s) el indicador
het wiel (-en) la rueda

( categories: )