02. Bij de dokter: ir la médico

2. Bij de dokter ir al médico

2.1 Het lichaam el cuerpo
2.2 Ziektes enfermedades
2.3 Andere nuttige woorden otras palabras utiles

2.1 Het lichaam el cuerpo

de aars (aarzen) / anus el ano
de ademhaling la respiración
de ader (-s, -en) la vena
de alvleesklier (-en) el páncreas
de amandel (-en, -s) la amígdala
de arm (-en) el brazo
het been (benen) la pierna
de bil (-len) la nalga
de blaar (blaren) la ampolla
de blaas (blazen) la vejiga
het bloed la sangre
de borst (-en) el pecho
de borstkas (-sen) el tórax
de buik (-en) el vientre
de buil (-en) el bulto
de darm (-en) el intestino
de dij (-en) el muslo
de duim (-en) el pulgar
de elleboog (ellebogen) el codo
de enkel (-s) el tobillo
de etter el pus
de gal el bílis
het gebit (-ten) la dentadura
het geheugen (-s) la memória
het gezicht (-en) la cara
het gezwel (-len) el tumor
het haar (haren) el pelo
de hals (halzen) el cuello
de hand (-en) la mano
het hart (-en) el corazón
de hersenen el cerebro
de heup (-en) la cadera
de hiel (-en) el talón
de hoest la tos
het hoofd (-en) la cabeza
de huid (-en) la piel
de jeuk el picor
de keel (kelen) la garganta
de kies (kiezen) la muela
de knie (knieën) la rodilla
de koorts la fiebre
de kuit (-en) la pantorilla
de lever (-s) el hígado
de lip (-pen) el labio
het litteken (-s) la cicatriz
de long (-en) el pulmón
de maag (magen) el estómago
de middelvinger (-s) el dedo medio
de mond (-en) la boca
de nagel (-s) la uña
de navel (-s) el ombligo
de neus (neuzen) la nariz
de nier (-en) la riñón
de oksel (-s) la axila
het oog (ogen) el ojo
het oor (oren) la oreja
de penis (-sen) el penis
de pink (-en) el meñique
de pols (-en) la muñeca
de puist (-en) el grano
de rib (-ben) la costilla
de ringvinger (-s) el anular
de rug (-gen) la espalda
de ruggengraat (ruggengraten) la columna vertebral
de schedel (-s) el cráneo
de schouder (-s) el hombro
de slagader (-s) la arteria
de spier (-en) el músculo
de spijsvertering la digestión
de tand (-en) el dente
het tandvlees la encía
de teelbal (-len) el testículo
de teen (tenen) el dedo del pie
de tepel (-s) el pezón
de tong (-en) la lengua
de urine la orina
de uitwerpselen los excrementos
de vagina (´s) la vagina
de vinger (-s) el dedo (de la mano)
de voet (-en) la pie
de wang (-en) la mejilla
de wijsvinger (-s) el índice
het zweet el sudor

2.2 Ziektes enfermedades

de aambeien las almorranas
het astma la asma
de beenbreuk la fractura
de beroerte el ataque (de apoplejía)
de bloedarmoede la anemia
de epidemie (-ën) la epidemia
de griep el gripe
de hartaanval (-len) el ataque cardíaco
de hersenvliesontsteking (-en) las meningitis
de hoofdpijn el dolor de cabeza
de kanker el cancer
de aids la sida
de constipatie (-s) la constipación
de keelontsteking (-en) la angina
de kiespijn el dolor al diente
de longontsteking (-en) la pneumonia
de maagzweer (-en) la úlcera gástrica
de malaria la malaria
de mazelen el sarampión
de melaatsheid la lepra
de migraine la migraña
de niersteen (nierstenen) el cálculo renal
de pest la peste
de pokken las viruelas
de roos la caspa
de suikerziekte las diabetes
de tuberculose la tuberculose
de verkoudheid (verkoudheden) el resfriado

2.3 Andere nuttige woorden otras palabras utiles

ademen respirar
de afspraak la consulta marcada
beterschap! que te mejores!
de bevalling el parto
blind ciego
de bril las gafas
dik gordo
de dood la muerte
doof sordo
de dorst la sed
drinken beber
duizelig mareado
de duizeling el vértigo
de geboorte el nacimiento
de handicap la discapacidad
het geneesmiddel el medicamento
genezen curar(-se)
gezond sano
de gezondheid la salud
gezwollen hinchazo
de gips el yeso
hees afónico
het herstel la recuperación
de honger el hambre
de injectie la inyección
kaal calvo
het leven la vida
mager magro
mank cojo
de menstruatie la menstruación
moe cansado
de nachtmerrie la pesadilla
depressief depresivo
niezen estordunar
(on)vruchtbaar (in)fértil
de oogarts el oftalmólogo
overspannen estressado
de patiënt el paciente
de pil la pastilla
plassen orinar
het poeder el polvo
ruiken oler
scheel bizco
de tandarts el dentista
(zich) uitkleden quitarse la ropa
(uit)rusten descansar
de wachtzaal la sala de espera
de wond(e) la herida
zenuwachtig nervioso
ziek enfermo
zwak débil
zwanger embarazada